'Tijd (is)' beschrijft wat de wezenlijk wezenloze tijd is. Door tijd kunnen pre-existente transcendente persoonlijkheden zich tot zichzelf verhouden. Door tijd ben je een (zich)zelf. Wat voor een zelf, zijnde, wat je bent is afhankelijk van hoe tijd je persoonlijkheid opent als dit of dat zijnde. Tijd is van je zijnde, maar niet door je zijnde. Tijd is van jezelf, maar niet door jezelf. Tijd is een gift.
Descartes wist dat en zei dat hij kon denken en zeker weten dat hij als denkend bestond, zolang hem tijd geschonken was. God gaf hem tijd, maar hoe heeft hij slechts heel vaag kunnen denken in termen van, de door hem verfoeide, doeloorzakelijkheid. Tijd is voor hem nog meer een gift dan Gods geschenk van de idee van God in de niet-∞ idee van het ∞.
Heidegger zag dat tijd van jezelf, je zijnde, is en niet buiten jezelf bestaat, terwijl je tijd, dus jezelf, toch ge-geven, geschonken, is (aan jezelf) en je tijd niet volledig kan beheersen - al was het maar omdat je er 'iets' (rechtvaardigs of heiligs) mee moet doen. Tijd is niet gegeven omdat jezelf al tijdelijk bent en tijd is je tegelijkertijd toch wel ge-geven en is meer dan jezelf.
In 'Tijd (is)' wordt de gift van tijd gedacht als het geschenk van jezelf aan jezelf, waarin je jezelf ook kan geven aan jezelf, en wel door de transcendente God. Dat komt omdat woorden als individueel zelf, persoonlijkheid, levenskracht, ik, ego, levende ziel, etc., niet op één hoop gegooid worden van het zelf. Door deze elementaire onderscheidingen te maken binnen het zelf kan er klaarte komen.
Om tot klaarte te komen over de geschonken tijd, die je niet moet morsen, vertrekt 'Tijd (is)' met een vertaling, uitleg en een commentaar op McTaggarts artikel uit 1908 'The unreality of time'. Daarin onderscheid hij een A-tijdreeks (verleden, heden en toekomst) en een B-tijdreeks (eerder en later). Hoe zijn deze tijdreeksen aan elkaar gerelateerd, kun je ze in elkaar vertalen, welke is eerder/wezenlijker en welke is later? Is dit eerder-later een volgorde van gebeurtenissen die een niet-temporele orde weerspiegelt? Vanuit dat artikel wordt een noodzakelijke gereedschapskist van begrippen (juist ook in de vorm van helder gestelde vragen) ontwikkeld om de relatie tussen tijd, tijdloze schijn, eeuwigheid en transcendentie te denken en antwoord te kunnen krijgen op de vraag 'Wat is tijd?'.
Tot die begrippen horen o.a. een begrepen begrip van de logica als tautologisch '= = =' (dat wat is is) en een begrip van het eminente wezen van de logica, de logos (die logischer is dan de logica), als begrip van het onmiddellijke inzicht in '≠ = ≠' (niets is niets) en tautologische '= ≠ is' (logica ≠ logos), de achterkant van het onmiddellijke inzicht in zijn. Tijd en ook het tijdelijke zelf, dat zich in de tijd eeuwigheid kan laten geven door de transcendente God, zijn niet logisch en dienen vanuit de logos gedacht te worden. AI is slechts logica.
Vele oerdenkers (Parmeneides, Herakleitos, Proclus, Pseudo-Dionysius, Abhinavagupta, Ibn Arabi, Aquino en William Blake) klinken in dit werk door. Dat versterkt de conclusie dat de tijd als historische ontwikkeling gedacht moet worden. Met deze begrippen is de gift te denken en daarmee de 'existentiële' Zin van het leven waarin je ervaart dat het Goed is dat je bestaat, dat er kwaad, lijden en leugen bestaan en ervaart dat je bestaat altijd nog beter is dan dat je nooit zou hebben bestaan.
'Tijd (is)' eindigt evenzo speels als waarmee dit boek geschreven is met een uitleg van een aantal films om de relatie binnen het zelf tussen de eerdere tijd en het latere zelf uit te leggen. 'Tijd (is)' is de hoogste en grootste uitdrukking over wat tijd is in zowel het Westen als Oosten. Iedereen die voorbij en vooraf aan Heidegger, of films die over tijdreizen gaan, wil denken (over tijd) en Heidegger, of die films, wil doordenken z